Naam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze molen te Nunhem

 

Onze molen te Nunhem’ is de eerste aanduiding van een molen behorende tot de plaats of parochie Nunhem. In een akte uit 1276 komt de zinsnede ‘molendino nostro de Nuhem’ voor, in een akte uit 1324 ‘molendinum nostrum in Nunheym’.

 

 

Molen te Loe

 

Tot de 18e eeuw wordt de molen in de (schaarse) archiefstukken niet benoemd met een eigennaam maar met een verwijzing naar de plek: moelen te Lue, meulen tot Loe of moolen tot Loij. Geschriften uit 1617 vormen een uitzondering: daar wordt de molen ook een keer Looyer moolen en Lou moulen (en op een omslag in een totaal ander handschrift, later toegevoegd?) Leurmolen genoemd.

 

In verslagen uit het einde van de 17e eeuw (1688-1697) zijn de aanverwante aanduidingen kolck van Loe, vallée de Loe, Loe dael, Leu=dael, Luerdael, Luer goet, metairie de Loe, Loe hoff, Leu hoff en Luer hoff  te lezen. De benaming of schrijfwijze is nogal in beweging, in één tekst wordt de boerderij zowel loe hoff als leu hoff genoemd.

 

 

 

 

Leurmolen

 

In archiefstukken uit de 18e eeuw wordt de molen steeds aangeduid met een eigennaam: Leurmeulen, Leur meulen of Leurmolen en een enkele keer Loijer moelen en Luyer meulen. Op de Ferrariskaart uit de periode 1771-1778 staat de molen als Loyer Molen ingetekend (zie de pagina ‘Leudal in kaart’). Andere aanduidingen verwijzen nog steeds naar de plek: leen goer van Leu, hoff van Leu, molder tot Loe en muller of mulder van Leu.

 

De molen is vanaf 1701 eigendom van het klooster St. Elisabethsdal dat ook een stroomopwaarts gelegen molen in bezit heeft. Stukken van Waterschepenen uit 1778 duiden de molens dan ook aan als de onderste molen van St. Elisabeth genaemt de Leur Molen en de bovenste molen van St. Elisabeth. Onderste, middelste en bovenste molen zijn gebruikelijke namen voor watermolens die niet ver van elkaar liggen. Het is niet ondenkbaar dat vanwege de koop door het klooster St. Elisabethsdal de naam Leurmolen in zwang is geraakt om onderscheid te maken met de molen die al sinds de 13e eeuw in bezit was van het klooster. Deze molen, nu de St. Elisabethsmolen genoemd, blijkt bij de visitatie van de Waterschepenen in 1778 geen eigennaam te hebben en wordt aangeduid als de bovenste molen van St. Elisabeth. De uit de visitatie voortvloeiende ordonnanties zijn gericht aan resp. molder op de Leurmolen geleegen onder Nunhem en molder van de molen geleegen bij het clooster van Sint Elisabeth.

 

 

Leumolen

 

Vanaf de 19e eeuw valt de r weg uit de naam en heet de molen Leumoelen of Leumolen, op kaarten en in kadasterlijsten zijn nog wel aanverwante namen met een r te vinden: Leurbeeck, Leurveld, Leurdael. In de 20e eeuw raken alle namen r-loos: Leumolen, Leuhof, Leudal, Leubeek, Leubitter. In een advertentie uit 1857 duikt Leuwermolen op.

 

 

                                                                                                                           

 

 

St. Ursulamolen

 

In de jaren dertig van de vorige eeuw wordt in archiefstukken de molen soms St. Servatiusmolen genoemd naar een kapel in de buurt, schrijft Boere (1972). De bijnaam St. Ursulamolen is er gekomen vanwege het beeld van de heilige boven de deur, Smeets (1963) meldt dat vóór 1800 de naam Ursulamolen niet aangetroffen wordt in de akten, Boere stelt dat tot in de 20e eeuw vrijwel uitsluitend de naam Leumolen voorkomt, zij het in varianten zoals molen tot  Lue, Leurmolen en Leurdermolen.

 

Eigen onderzoek geeft vóór 1956 tot nu toe alleen in 1915 (bijschrift bij een foto in tijdschrift ‘de Prins’) en in 1930 (een ansichtkaart) de aanduiding St. Ursulamolen. In krantenartikelen en –advertenties van 1860-1940 wordt uitsluitend ‘op Leu’, ‘Leumolen’ en eenmalig ‘Leuwermolen’ gebezigd. In de correspondentie van de eigenaren Waegemans en ambtelijke stukken uit de 19e eeuw wordt ook alleen de naam Leumolen gebruikt.

 

 

                                                                                     

 

 

 

                                   

 

 

de Minister

 

In 1956 is er vanuit het verre den Haag een verrassende ministeriële promotie van de bijnaam St. Ursula. Dat jaar is de Leumolen door de Staat aangekocht en in beheer gegeven aan Staatsbosbeheer. De katholieke minister Cals dringt er op aan de naam St. Ursulamolen te gebruiken en er wordt verzocht daar goede nota van te nemen. In 1961 wordt daarom bij de restauratie van de molen de naam St. Ursula op de gevel aangebracht en in de tweede helft van de 20e eeuw vindt de bijnaam (St.) Ursulamolen of molen St. Ursula breed ingang. Maar de naam van de molen is van oudsher en al ruim vijf eeuwenlang, de tijdelijke KVP-bestuurder ten spijt:

 

 

 

                                                       

 

 

 

VERKLARINGEN

 

 

Leu, Lue, Loe, Lou, Loij

 

Persoon

 

Lue, Loe en Lou waren of zijn persoonsnamen, Loij een geslachtsnaam. Het is mogelijk dat de plek of boerderij die daar stond de naam van een persoon droeg en dat vervolgens de naam overgegaan is op de molen die daar gebouwd werd. De Leumolen zou daarom de molen kunnen zijn die gebouwd is op Loe’s of Loij’s grond of bij de boerderij van boer of eigenaar Loe: De molen bij Loe of de Loyermolen.

 

Bos

 

Het Nederlandse leu, lo, loo en loe (in het Oudnederlands zijn de klanken of schrijfwijzen vaak synoniem: meulen = molen = moolen = moelen) en ook het Duitse loh, lo en luh zijn waarschijnlijk afgeleid van lucus, het Latijnse woord voor bos. Lucus betekende oorspronkelijk open, lichte plek in een bos maar de betekenis is geëvolueerd, de term is later voor het bos zelf gebruikt. Weer later ook wel voor ‘water dat door het bos stroomt’. Duitse etymologen stelden dat lo of loo ‘houtrijke plaats’ betekende, maar dat het bij de Germanen stond voor ‘een heilige plek in een heilig woud’. 

 

In een onderzoek naar de etymologie van een naam eindigend op lo wordt geschreven: “Onder een loo verstaat men een eikenbos: eigenlijk oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbos, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast ervan als looistof te gebruiken. De woorden loo en looien hangen dan ook samen"  en “Vrij algemeen heeft de mening postgevat dat 'Lo' kan betekenen 'grasrijke en met laag houtgewas begroeide plek in of bij een woud', 'open plek in het bos', 'bos' en 'waterloop' “. Andere gevonden verklaringen duiden op een bos of een plek bij water (moeras, plas, ven).

 

 

 

Een aankondiging uit 1858, de Leu wordt aangeduid als de Loo

 

 

In het Haelens dialect wordt leu uitgesproken als luë en luë wordt in woorden gebruikt die in het Nederlands een o-klank hebben. Het Haelense Luë wordt rond Panningen uitgesproken als Loë en betekent daar ‘bos met veel loofhout’. Daarom is in de streek Loodal = Leudal = Luëdal = Loëdal. De Leumolen zou daarom ‘bosmolen’ kunnen betekenen.

 

Leeuw

 

In de middeleeuwse tekst: 'Hi voerde ooc in sinen scilde enen leu die was root'  staat leu voor leeuw; Leue en Leu betekenden leeuw. In de 17e eeuw circuleerde de Nederlandse daalder met de afbeelding van een leeuw in Roemenië. Deze munt werd Leu genoemd, naar de leeuw, en de Leu is nog steeds de Roemeense munteenheid. Leumolen kan ‘leeuwmolen betekenen.

 

Dat de betekenis ‘Leeuw’ niet onwaarschijnlijk is, laat de beschrijving van toponiemen voor Belfeld (oostelijk van de Maas) zien. De namen Geloo, ghen Loee, gen Lohe, gen Loe en Leeuwen zijn afgeleiden van elkaar en de Geloorbeek heet in 1842 ook Leurbeek, de Gelooerberg Leurberg.

 

 

 

                                                                     

 

 

Leur

 

'Leur' kan te maken hebben met het Oudnederlandse 'loor of lore', dat 'slechte of lichte turf' betekent. Maar het is niet ondenkbaar dat de Franse taal invloed heeft gehad, officiële stukken zijn eind 17e eeuw vaak in het Frans gesteld. Leur is een bezittelijk voornaamwoord in het Frans: ‘le moulin d’ eux’ en ‘leur moulin’ betekenen ‘hun molen’. Het is mogelijk dat ‘moulin de leu’ verbasterd is tot ‘leur moulin’. Een derde mogelijke verklaring is een samentrekking. Synoniem voor de molen van Leu is Leuermolen (als ‘molen van Nunhem’ = ‘Nunhemer molen’), dat kan samengetrokken zijn tot Leurmolen.

 

 

 

 

                                 Hun Leeuwmolen in het Bos bij de boerderij van Loij

 

 

 


 

Dynamiek van taal

 

 

 

Bovenstaand is al aangehaald dat eind 17e eeuw de naamgeving in beweging was. Ook nu is het proces van verandering / omvorming van namen of termen in de taal waar te nemen. In zoekopdrachten op het internet naar de Leumolen worden verschillende notaties gebruikt door tikfouten, verkeerd verstaan of verkeerd onthouden van de naam.

 

Voorkomende naamgeving in zoekopdrachten op het internet:

 

leulmolen, leunmolen, leu molen, leumaolen, leomolen, luemolen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

screenshot: 3 augustus 2010

 

 

                         Leudalmolen

 

                         Rond 2010 sluipt de naam Leudalmolen teksten binnen. In routebeschrijvingen op het internet

                         duikt de naam op, evenals in verslagen van uitjes in het Leudal of sites met toeristische tips zoals

                         de Uitwijzer  Midden Limburg. Vooral van het laatste soort bronnen wordt een foute benaming veel-

                         vuldig overgenomen. De foute aanduiding komt zelfs voor in de aanzet uit 2010 tot een cultuur-

                         historische canon van het Leudal.

 

 

 

 


 

 

 

 Site Leumolen