Molenaars

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anno 2007: vrijwillig molenaar Marc Piepers

 

 


 

Rond 1700

 

Vissen in de “kolck van Loe”

 

De vroegst bekende molenaars op de Leumolen zijn Jacob Smets en Peeter Pieters. In 1698 leggen zij getuigenissen af ten nadele van leenman Andries de Merode en ten voordele van geestelijken van het St. Elisabethsklooster. De religieuzen worden er kennelijk van beschuldigd onrechtmatig gevist te hebben bij de Leumolen en door een weg af te sluiten de molenaars weg te jagen.

 

Jacob Smets  getuigt dat  “die heeren van Sint Elisabeth noijt tegens sijnen wille ende dank maer altijdt met sijn consent in de kolck van Loe gevischt hebben, adderende hij declarant dickwils die heeren te hebben gaen waerschouen dat daer visch was, dat sij souden coemen vischen”. Hij voegt daaraan toe dat in zijn pachtcontract ook niets over jacht en visserij opgenomen was. Hij heeft de molen niet verlaten vanwege een opengebroken weg waarover kwestie is, maar wel omdat het  “seer moijelijck en ongemaeckelijck was met den heer de Merode te handelen”.

Smets wordt in het getuigschrift voormalig halfman op “de hoff en molen tot Loe” genoemd. Het betekent dat de Leumolen als halfgoed aan hem verpacht werd: de helft van de opbrengst was voor de leenman.

 

In 1706 verklaart de dan 72-jarige Jacob Smets van 1678-1691 molenaar te zijn geweest op de Leumolen.

 

 

 

 

 

Peeter Pieters  moelenaer eertijdts op de moelen van den heere Andries de Merode gelegen onder nuijnhem” wordt gehoord in Hunsel, hij werkt inmiddels daar op een molen. Ook hij verklaart dat er in het pachtcontract niet gerept werd over jacht en visserij en op de vraag of  “dessen Religieusen oijt tegens sijns comparants danck in de moelen kolck hebben gevischt” antwoordt hij neen. Hij ontkent dat hij vertrokken is omdat de prior hem verboden had een weg nog langer te gebruiken, maar dat hij weggegaan is omdat de Merode de pachtsom wilde verhogen. De Merode had hem verder kwijtschelding beloofd voor het niet meer kunnen gebruiken van de weg, maar dat was hij niet nagekomen.

 

 

 

 

                               Vissen in de molenkolk van een watermolen door C. Immerzeel (1874)

 

 

Molenban

 

Andries Janssen, molder tot Loe, legt op 3 juni 1705 ook een getuigenis af ten gunste van het St. Elisabethsklooster. Hij verklaart dat “inwoonderen van Roggelen ten tijde van seven jaeren als hij op de Loijer moelen gewoont heeft ende alnock woene bij hem bij morgen, middagh ende avonde sijn coemen maelen maer altijt met vreese en de achterdencken van gearresteert oft aengehalden te woorden”.

 

De schichtigheid van de Roggelnaren laat zich verklaren omdat ze weten dat ze in de fout gaan als ze laten malen op de Leumolen, zo beweert het klooster. De molen bij het klooster (de huidige St. Elisabethsmolen) is een banmolen en de inwoners van de parochie Roggel zijn verplicht hun graan daar te laten malen. Het klooster heeft deze molen in erfpacht uitgegeven en heeft de verplichting de ban te handhaven anders lopen de molenaars inkomsten mis. Maar de gemeente Roggel en haar inwoners ontkennen het bestaan van de molenban en laten hun graan ook op andere molens malen.

 

Van 1698 tot 1707 worden kostbare welles-nietes processen gevoerd tussen het klooster en de gemeente en individuele inwoners. In 1705 verzucht prior Henricus Pisart dat het welbekend is aan iedereen dat wij tot schade procederen en aan de Leumolen gelden moeten onttrekken om deze molen te verdedigen. In 1707 wordt door beide partijen een compromis aanvaard dat ondermeer de bepaling heeft dat de Roggelnaren zowel op de Leumolen, sinds 1701 in bezit van het klooster, als op de molen bij het klooster mogen laten malen.

 

 

 

 

 


 

18e eeuw

 

Herendienst

 

In 1764-66 maakt Henricus Molen (alias Hendrick Meulen) naam als molenaar van de Leumolen. Het graafschap Horn vraagt een herendienst aan de prior van St. Elisabeth, het klooster heeft de Leumolen in 1701 gekocht.. Het kasteel van Horn moet hersteld worden en gevraagd wordt Henri mee te laten helpen: “ te versoecken te ordoneren aen sijnen pachter ende muller van Leu, opdat hij twe oft dry daegen magh komen met karre ende paerdt om de eene oft andere materialen tot den noodigen bouw bij te vaeren”. Henri laat dit corvee aan zich voorbij gaan.

 

Archiefstukken laten correspondentie zien tussen het graafschap Horn en de prior over het al of niet verplicht zijn tot herendiensten (“obliger Henricus Molen a faire de corvees”) van pachters van leengoederen die behoren tot de heerlijckheijt van het graafschap.

 

Hendrick Meulen verliet in 1771 de Leumolen om zich in Roggel te vestigen. De jaarlijkse pacht van de water- graanmolen bedroeg dat jaar 85 malder tarwe en 10 malder boekweit, te hoog om aan te kunnen voldoen vond de mulder.

 

 

 

 

 

 


 

Rond 1800

 

Familie Clephas

 

Een volkstelling gehouden in 1796 geeft aan dat de familie Clephas vanaf 1770 ‘op Leu’ woont. Anderzijds wordt gemeld dat een baby uit het kinderrijke gezin in 1771 nog in Swalmen wordt gedoopt, een volgende in 1772 in Nunhem. Hoe dan ook, molenaar Hendrick Clephas (Clefas, Cleophas) is de eerste pachter van de Leumolen nadat de molen in 1773 in steen is opgetrokken. In 1775 is de nieuwe oliemolen gereed en Clephas is daarmee ook de eerste olieslager van de Leumolen.

 

In 1778 krijgt molenaar Clephas de waterschepenen op bezoek die een peilmerk willen aanbrengen op d’ onderste molen van Ste Elisabeth genaemt de Leur Molen (zie pagina “Stuwrecht”). In 1790 overlijdt hij, zijn weduwe Maria Joseph Clephas-Janssen neemt de pacht over en zij blijft met haar gezin op de Leuhof wonen. Haar kinderen, zoon Michel (1764-1816) en dochters Elisabeth (1767?-1805) en Christine (1766-1837) volgen haar in 1804 op, ook in de pacht van de St. Elisabethsmolen.

 

Het beeld van Ursula zo vertelt een volksverhaal, zou door de Fransen in het water zijn gegooid waarna het aanspoelde tegen de sluizen van de Leumolen. De molenaar heeft het opgevist en verborgen tot de bezetter in 1815 vertrokken was. Als het verhaal waar is, heeft de familie Clephas Ursula in de molen opgenomen.

 

 

Pachtcontracht

 

Uit het pachtcontract van 1792 (ook betrekking hebbend op de St Elisabeths-molen):

 

 

Art. 8.

Sal de pagteresse de landereyen en beemden wel en op hunnen tyd behoorlyk meesten en bouwen ook de meulens wel onderhouden soo ’n haere gergtigheden als in steefkammen, schoffels, beekens, rentsel, met een woord alles wat tot gankwerk noodig is: blyft ook tot laste der pagteresse het scherpen en versteellen der billen en van soo genaemden spelman.

Art. 9.

Sal de pagteresse van ’t afmaelen van de steene der cooren meulen voor jeder duym rynlandsche maet aen ons betaelen vyftien guldens Cleefs.

Art. 10.

Sal de pagteresse op ons versoek het water ophouden of laeten loopen als wy wegens vischen of andersins noodig hebben.

Art. 11.

De steene van de weyd en boekens moolen syn tot laste van de pagteresse.

 

(steefkammen = houten tanden van de kamraderen, schoffels = schoepen van het rad, rentsel = rondsel of klein tandrad, billen = scherpen van de molenstenen, hier het instrument om te billen, de spelman of speelman geeft een schuddende beweging aan de aanvoergoot van het graan)

 

Of eigenaar St. Elisabethsklooster of de pachter is in gebreke gebleven: in het schattingsrapport opgesteld voor de openbare verkoop in 1796 wordt aangegeven dat de molen flink achterstallig onderhoud heeft.

 

 

Volkstelling

 

In 1796 wordt door de bezettende Franse macht een volkstelling gehouden. Nunhem telt 174 inwoners. Op Leu (de Leuhof) worden negen personen geteld: weduwe Marie Janssen (65 jaar), twee zonen (35 en 28 jaar), drie dochters (30, 29 en 21 jaar) en drie mannen die aangeduid worden als ‘domestique’ (40, 26 en 25 jaar). De vertaling van domestique kan variëren van bediende, knecht, werknemer tot levenspartner, levensgezel. De aanduiding domestique staat in het tellingsoverzicht bij andere huishoudens duidelijk voor personeel. Dat zou betekenen dat pachteres Clephas-Janssen (ook pachteres van de Elisabethsmolen) drie man in dienst heeft, maar ook dat geen van haar thuiswonende kinderen op dat moment een partner heeft.

Uit het genealogie-register van de gemeente Leudal blijkt dat de kinderen Clephas inderdaad niet of op oudere leeftijd trouwden.

 

 


 

19e eeuw

 

Clephas en Claessen

 

Na het overlijden van Michel Clephas in 1816 blijft zijn zuster Christine Clephas (in 1796 dertig jaar oud) op de molen. Zij, omschreven als molenaarsvrouw, is in 1815 gehuwd met Cornelius Antonius Claessen (1768-1855). Hij wordt molenaarsknecht en akkerman genoemd. Als Emanuel en Joseph Waegemans het goed Leur in 1822 kopen, is volgens de akte Antoon Claessen of Claessens molenaar. Christine Clephas overlijdt in 1837. Claessen hertrouwt een jaar later met de 46-jarige Martina Veugelers, hij is dan 70. Veugelers stierf in 1849.

 

 

 

 

                                                                                       foto’s van de akten uit 1680 en 1822: Wim Bongaerts

 

“Les Biens Nommés Leur situés dans la dite commune De Nunhem, avec ap et Dependances Consistant en un Moulin à eau, maison, grange et ecaries, avec toutes les terres, Bois, et praieries et exploités par antoin Claessens meunier.”

 

De broers Waegemans kopen in 1822:

De goederen genaamd Leur gelegen in de genoemde gemeenschap Nunhem, met  bij en toebehoren bestaande uit een watermolen, huis, schuur, paardenstallen, met alle gronden, bossen en weiden en in gebruik bij Antoon Claessen(s) molenaar.

 

 

 

“quatorze aout Derniere a haelon De Sept Cent florïns de Cleve par an”

 

(Op) 14 augustus j.l. (was te Healen (?) een pachtprijs afgesproken) van zevenhonderd Kleefse guldens per jaar

 

 

 

 

 

Eenen goed gekalandeerden molen

 

Eind 1863 is er een vacature, van december 1863 tot januari 1864 wordt geadverteerd voor een pachter op de Leumolen. De verpachting aan de meestbiedende zal op 15 januari plaatsvinden.

 

De molen wordt beschreven als een graan-, olie- en pelmolen en de bijbehorende bouw- en weilanden zijn 3,5 bunder (hectare) groot. De verpachting op die dag is kennelijk niet gelukt, de gelegenheid daartoe wordt opnieuw aangekondigd voor 4 februari.

 

            

 

 

Familie Coenen

 

In de zeventiger en tachtiger jaren was Joannes / Jan Coenen pachter. Uit onderstaand nieuwsbericht blijkt dat er bij de Leumolen ook een herberg is. Coenen organiseerde bij de herberg kermisactiviteiten waarvoor geadverteerd wordt: prijsbeugelen en prijsvogelschieten.

 

 

Aanslag

 

Een krantenbericht van 28 maart 1868:

 

“Verleden Zondag avond bevond zich in de herberg van den Leumolen bij St. Elisabeth onder Nunhem, zekere J.v.K., een braaf rustig jongeling uit Heijthuijsen, die in eerstgemeld dorp zijne familie des namiddags bezocht had. Toen hij de herberg verliet om zijnen weg huiswaarts te vervolgen, werd hij eensklaps met eenen stok bewusteloos voor den grond geslagen, en hoewel hij zich later naar zijne woning kon begeven, verergerde later zijn toestand, zoodat deRechter Commissaris zich naar hem heeft moeten begeven om hem te verhooren.

Aan de ijverige bemoeijingenvan den brigadier der Maréchaussées is het gelukt den vermoedelijken dader in handen te krijgen, die zich sedert een paar dagen in arrest bevindt.”

 

 

 

 

        

 

           16 september 1871

 

 

     7 augustus 1880

 

 

 

Beugelen werd in de Middeleeuwen in heel Nederland gespeeld. Het spel wordt nu alleen nog beoefend in het midden en noord Limburg. Zowel mannen als vrouwen vermaakten zich op de beugelbaan die ongeveer zes meter breed en tien meter lang is. Het is de bedoeling een zware bal met een slaghout door een beugel slaan, als een bal van de tegenstander in de goot wordt gestoten, levert dat voordeel op.

 

 

 

links: spelers in 1857

 

 

 

                   

                       1 september 1883

 

 

 

          1 oktober 1881

 

 

 

Op maandag 16 april 1883 wordt op Leumolen het hout van een dennenbosch verkocht. “Het hout is dienstig voor kepers, wurmen, kuilhout, hei- en telegraafpalen. Voor de aanwijzing wende men zich bij Jan Coenen, molenaar”.

 

 

   7 mei 1887

 

 

 

 

 

 

 

Molenaarsgeslacht

 

De vader van Joannis Coninghs (1785-1863) heette Jan Coenen, zijn levensjaren zijn onbekend. De zoon van Joannis Coninghs was Jean Coonen (1813-1890), hij was van beroep molenaar. Zijn zoon was Willem (Wilhelmus) Hubert Coenen (1846-1885), ook molenaar.

 

 Aliassen

 

Jan Strous uit Neer laat weten dat zijn grootmoeder, Anna Maria Coenen in 1885 op de Leumolen is geboren. Anna Maria was een dochter van Willem Hubert Coenen, die drie maanden na haar geboorte overleed. Dit spoor terugvolgend, betekent dit, dat haar grootvader en molenaar Jean Coonen dezelfde is als molenaar Joannes / Jan Coenen.

 

 Zonen

 

Jan Coenens zonen Pieter Coenen (1849-1886) en Antonius (Antoon) Hubertus Coenen (1841-1923) waren eveneens molenaar en zij zullen opgeleid zijn door hun vader. Antoon werd molenaar op de (later zo genoemde) Molen van Coenen of St. Antoniusmolen in Heythuysen.

 

Een andere zoon van Jean Coonen / Jan Coenen was Ludovicus Hubertus Coenen, ofwel Louis Coenen (1857-1923). Hij was van 1886-1918 molenaar op de Aurora in Baexem. Aangenomen mag worden dat hij het vak van zijn vader op de Leumolen heeft geleerd.

 

                        Jan Coenen / Jean Coonen (1813-1890, molenaar op de Leumolen)

                                           |                                                     |

                                       zonen                                            dochter

                                           |                                                     |  Joanna Coenen  -  kleinzoon  Jean Rutten (1860-1920)

                                           |                                                     |                                                  molenaar op de Leumolen

                                           |

                        Antonius Hubertus Coenen (1841-1923, molenaar op de St. Antonius, Heythuysen)

                        Willem Hubert Coenen (1846-1885, molenaar op de Leumolen, Nunhem)

                        Pieter Coenen (1849-1886, molenaar te Nunhem)

                        Ludovicus Hubertus Coenen (1857-1923, molenaar op de Aurora, Baexem)

 

 

 

 

Veiling bij vertrek

 

Op 17 april 1889 lieten Jan Coenen en kinderen, nadat zijn vrouw / hun moeder in februari overleden was, have en goed veilen.

 

Tot de levende have van het bedrijf behoorden een 12 jarig werkpaard, geschikt voor de molenkar, 2 voldragen koeien en 1 rund.

 

Tot het landbouw- en molenbedrijf behoorden karren, ploegen, eggen, een wel, vaten, kuipen, olievaten, een stalwatervat en akker-gereedschappen.

 

Van het horecabedrijf werden de beugelbollen (in een andere advertentie beugelballen) en het herberggerief verkocht.

 

Veiling bij vertrek

 

Eigenaar Wagemans liet in 1891 een nieuw waterrad aanbrengen en daarbij het sluiswerk aanpassen.

 

Vanaf 1892 is Peter Joannes Hubertus (roepnaam Jean, Sjang of Jan) Rutten molenaar op de Leumolen.

Rutten is een kleinzoon van Jan Coenen en gezien zijn leeftijd (geboren in 1860) zal hij het vak van zijn grootvader op de Leumolen geleerd hebben. Hij bouwde een windmolen in Roggel en verliet daarom de Leumolen in 1901. Ook hij liet  zijn boedel veilen bij het vertrek.

 

Rutten wilde aan vee kwijt 2 dragende en melkgevende koeien en 1 trekkalf.  Op zijn windmolen kon hij niet meer gebruiken een zware lange kar en paardentuig, voor alles geschikt, voerkuipen, een wanmolen, een olivat, touwen en vaatwerk.

 

Verder had hij in de aanbieding eene groote partij roggestroo, voeraardappelen, een keukenkast, banken, schilderijen, koper en tinwerk en verderen huisraad.

 

Aan landbouwbenodigdheden waren te koop 1 landwel, schoppen, rieken en verder akkerge-reedschap en 1 partij seradelzaad.

 

 

 

 

ca 1896, mogelijk staat molenaarsvrouw Anna Rutte-Vestjens met haar twee dochters op de foto

 

 

 


 

20e eeuw

 

Vele molenaars

 

In het eerste kwart van de 20e eeuw volgen pachters elkaar snel op. Achtereenvolgens kwamen en gingen:

 

molenaar

gevestigd in Nunhem

vertrokken uit Nunhem

 

Peter Bertjens

4 mei 1901

24 oktober 1907 naar België

Christiaan Bertjens

4 mei 1901

24 april 1914 naar Haelen

Leonard Hubert Janssen

1 april 1914

27 februari 1920 naar Venlo

Jan Hendrik Engelen

7 mei  1920

28 maart 1922 naar Horn

Joannes Antonius Smeets

molenaar vanaf november 1920

 

Martinus Jacobus van de Laar

23 mei 1927

21 oktober 1955 naar Nunhem Dorp

 

 

Joannes Antonius Hubertus Smeets, roepnaam Toon, is geboren op 5 februari 1894 te Nunhem en wordt op 26 jarige leeftijd molenaar op de Leumolen. Zijn vader is Leonard Smeets, geboren in 1852 te Neer. Onderstaande advertentie op een ansichtkaart uit 1920 waarop de nieuwe molenaar zich voorstelt, is niet ondertekend door Toon maar door vader Leonard Smeets, op dat moment 68 jaar. In praktijk werken beiden als molenaar op de Leumolen.

 

Leonard (Leon, Lin) Smeets woonde al in 1900 bij de Leumolen, bij een volkstelling werd genoteerd dat de familie L. Smeets met 3 mannen en 4 vrouwen woonde op Leu nummer 52. Zowel Bertjens als Smeets hielpen bij de houtveilingen van de eigenaar van de goederen.

 

 

 

 11 maart 1911

 

 

Serradella is een eenjarige vlinderbloemige plant waarvan de peultjes op vogelpootjes lijken. De plant heeft het vermogen stikstof te binden en werd daarom vroeger gezaaid om er later de grond mee te bemesten.

 

                

 

 

 

       

 

           24 januari 1914; bij Bertjens aan Leumolen

 

 

             6 februari 1915; ten huize van Leonard Smeets

 

 

 

 

 

                  12 maart 1921

 

 

   Molenaar Smeets bleef erbij boeren. Ook nu

   nog is een drieling bij een koe nieuws.  Het

   bericht is van 10 juni 1922.

 

       

 

                   

 

 

 

 

                                                 

 

                                                  Een ansichtkaart van de Leumolen met advertentie van molenaar Leonard Smeets, 1920

                                                  (met dank aan kleinzoon Toon Smeets)

 

 

 

Staatsbosbeheer

 

Sinds de molen onder het beheer van Staatsbosbeheer valt, malen medewerkers van deze dienst voor demonstratiedoeleinden; daarnaast malen vanaf 2003 af en toe vrijwilligers van het Gilde van Vrijwillige Molenaars op de molen.

 

 

 

 

demonstratiemalen

 

 

 

 


 

 

 

 Site Leumolen