Functies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korenmolen

 

Van oudsher is de molen een graanmolen en deze functie is altijd gebleven. Door de opkomst van stoom-aangedreven machines eind 19e eeuw liep het maalbedrijf terug. In de Tweede Wereldoorlog was er een opleving omdat watermolens zonder brandstof werken, maar kort na de oorlog werd de molen stilgezet. Na een restauratie een vijftien jaar later maalt de korenmolen mais.

 

Unesco heeft in december 2017 het Nederlandse molenaarsambacht op de Representatieve Lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid geplaatst.

 

 

                         

 

 

 


 

Oliemolen

 

Eind 18e eeuw is de oliemolen toegevoegd aan de Leumolen, in 1775 was de bouw klaar. Tot wanneer de oliemolen in bedrijf is geweest, bleef lang de vraag. Enerzijds werd gemeld dat uit de archieven na 1850 niets meer blijkt van het bestaan van een oliemolen (Molenstichting Limburg, 1972), anderzijds dat er na de winter van 1928/29 geen olie meer is geslagen (een krantenartikel bij de opening van de molen na restauratie in 1961 en Molennieuws, 1967). Van Bussel schrijft in zijn standaardwerk ‘Oliemolens’ dat met de vervanging van het waterrad door een turbine in 1911, het gedaan was met de oliemolen.

 

Kleinzoon Toon Smeets vertelde dat zijn grootvader Leonard Smeets, gestopt als molenaar op de Leumolen in 1927, olie heeft geslagen. Dat is bevestigd door een achterkleindochter van Leonard Smeets, haar grootvader (schoonzoon van Smeets) maakte rond 1923 nog lijnolie en veekoeken op de Leumolen. Het pleit is definitief beslecht door de vondst van advertenties uit 1920 waarin molenaar Smeets meldt dat de water-graan en oliemolen Leumolen is overgenomen. Hij biedt o.a. lijn- en raapkoeken aan. De oliemolen is dus tot in de twintiger jaren van de vorige eeuw in bedrijf geweest.

 

 

                                     

 

                                        Citaat uit een krantenartikel van 8 oktober 1932

 

 

Het ambacht van olieslaan is sinds december 2023 opgenomen in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland.

 

 

 

 

 


 

Pelmolen

 

In 1828 vroeg eigenaar Wagemans toestemming aan het provinciaal bestuur om de graan- en oliemolen uit te breiden met een pelmolen. De toestemming moet verleend zijn want rond 1850 wordt de Leumolen in diverse correspondentie als olie-, graan- en pelmolen aangeduid. In 1864 wordt geadverteerd voor een pachter op de Leumolen, en ook dan wordt de molen een graan-  olie- en pelmolen genoemd. Wanneer de pelmolen ontmanteld is, is onbekend.

 

 

 

                 

 

                      een brief uit 1850

 

 

 

                                                                      

 

                                                                                                        een advertentie uit 1864

 

 


 

Industriemolen of boerengemaal

 

In 1840 ontvangt eigenaar C. Waegemans een brief van de Districts Commissaris die de molen aanduidt als een usine, een fabriek. De aanhef van de brief: “Op de aanmerking dat uwe watermolen op de Beek de Neer te Nunhem in der tijd door het bestuur der domeinen als dusdanig ingerigte usine is verkocht geworden, (…) “

 

Omdat het bestuur der domeinen genoemd wordt als verkopende partij, wordt verwezen naar de verkoop in 1796 na onteigening door het Franse bewind. Op dat moment was de molen alleen een graan- en oliemolen, de districts-commissaris is daarom niet op de hoogte van de relatief recente uitbreiding met een pelmolen.

 

Waegemans wordt in de brief ontheven van de eis vergunning te vragen voor “het voortdurend in werking zijn uwer molen”. Het lijkt er op dat in die periode de molen bijna dag en nacht draait. De molen heeft voor zover bekend verder altijd gefunctioneerd als agrarische molen. Boeren kwamen hun producten brengen en het graan werd voor hun gemalen of er werd olie geslagen tegen maalloon. Voor een industriemolen worden granen opgekocht en de produkten verkocht.

 

Het is niet bekend of de pelmolen diende om gerst te pellen tot gort, of om rijst te pellen. In het laatste geval zou de molen gefunctioneerd hebben als ‘industriemolen’. De Leumolen heeft altijd maar één waterrad gehad, de pelmolen en de oliemolen in de watermolen kunnen niet gelijktijdig gedraaid hebben. Als de pelmolen intensief gebruikt is ná het graan malen en olieslaan, moet de molen inderdaad ‘voortdurend in werking’ zijn geweest.

 

 

 

                                                                                                                                       foto: Wim Bongaerts

 

(…) UED (uw edele) ontheven van de verpligting tot het alnog aanvragen van akt van toelating ter wettiging van het voortdurend in werking zijn uwer molen (…)

 

 

Ambtenarij

 

In 1856 maakt de Provinciale Waterstaat een procesverbaal op van een opneming en opmeting van het verken-kenmerk en het sluiswerk van de Leumolen. Daarbij wordt een voorgedrukt formulier gebruikt dat een beperkt aantal invulmogelijkheden biedt. Zo staat er slechts ‘bestemd tot het malen van’, daarachter is ingevuld: granen. Een mogelijkheid om andere functies in te vullen zijn er niet.

 

Op de pagina ‘Aanduiding der werken’ kan voor een eventuele oliemolen de afmetingen van de sluizen en het waterrad van de oliemolen ingevuld worden. De Leumolen heeft geen aparte werken voor de oliemolen, dus staat er niets ingevuld. Tot slot heeft de eigenaar het formulier niet ondertekend, en heeft de papieren waarschijnlijk niet onder ogen gehad. Ambtelijk is hiermee vastgelegd dat de Leumolen alleen de functie van graanmolen heeft. In latere stukken wordt de Leumolen alleen als graanmolen aangeduid.

 

 

 

                            

 

                              Opneming en opmeting van de molen in 1850: de eigenaar heeft niet getekend

 

 

 


 

Herberg

 

Boeren die bij een molen langs gingen om hun graan te laten malen, liepen de kans te moeten wachten: “wie het eerst komt wie het eerst maalt”.  Bij molens was daarom vaak een gelegenheid waar gedronken en gegeten kon worden, het  was een ontmoetingsplaats waar nieuwtjes uitgewisseld werden.

 

Ook bij de afgelegen Leumolen was een herberg blijkt uit een krantenbericht uit 1868, een klant op weg naar huis werd overvallen. Molenaar Coenen organiseerde zelfs wedstrijden beugelen (prijzen in 1871: twee nieuwe broeken en twee vesten), vogelschieten en kermis bij de molen. De herberg was nog steeds in functie in 1904.

 

 

 

     

 

  Bericht van een overval op een klant van

 de herberg van den Leumolen” op 28 maart 1868.

 

       Op 23 januari 1904 wordt een publieke verkoping

       van hout  ter herberge op Leu” aangekondigd.

 

 

 

 

 

Vergaderplaats

 

Jaarlijks werd de houtoogst uit de bossen verkocht, en de Leumolen was steevast een van de punten waar de verkoopvergaderingen plaatsvonden.

 

 

27 januari 1872: verkoop van eikenbomen en

dennenhout; vergaderen “op Leumolen

 

           

 


 

Waterkrachtcentrale

 

De Stichting Electriciteitsopwekking door Windmolens en Waterradmolens, opgericht in 1952 en opgeheven in 1975, had met succes de technische mogelijkheid van electriciteitsopwekking aangetoond in een tweetal windmolens en wilde ook proefnemingen doen met een watermolen. De stichting deed Staatsbosbeheer in 1966 een voorstel voor een proefneming in de Leumolen en de dienst stond daarvoor open.

 

In 1969 werd ‘een electrische opwekinstallatie’ geplaatst. Maar bij het proefdraaien bleek dat de opwekking ondanks voorspellingen van de stichting op grond van berekeningen, “slechts gering” was. Gedacht was per jaar 20.000 kWh te kunnen opwekken. De stichting stelde daarop voor het waterrad aan te passen door de schoepen te verbreden en de molen dag en nacht te laten draaien, maar vond hiervoor geen gehoor.

 

NB: Als er van uit gegaan was dat de molen overdag op werkdagen zou draaien, zou het gaan om een 2000 draai-uren per jaar. Om 20.000 kWh per jaar op te wekken, zou per draai-uur 10 kWh gehaald moeten worden.

 

Februari 1971 kwamen de deskundigen bijeen en berekenden dat toch in ieder geval 5 kWh een realistische opbrengst moest zijn. Na dit overleg bezocht men de molen waar de praktijk weerbarstig bleek. Met alle lampen en verwarmingselementen uit was de opbrengst nog steeds maar 3 kWh. Per draai-uur zou dat 45 cent opleveren.

 

November 1971 schrijft de stichting aan Staatsbosbeheer:

 

“Bij het doorlezen van de correspondentie* valt het vooral op dat thans geen molenaar permanent aanwezig is, wat in 1966 wel het geval was. Hierdoor is het onmogelijk geworden de molen min of meer permanent te laten lopen. Het gevolg is dat daarmee de mogelijkheid om een appreciabele hoeveelheid kWh’s op te wekken en die aan de n.v. Provinciale Limburgse Elektriciteits-Maatschappij te verkopen is komen te vervallen.

 

Buitendien is zowel uit ons onderhoud op 28 september als uit de daaraan voorafgaande besprekingen ter plaatse gebleken dat het Staatsbosbeheer niet geneigd is die verbeteringen aan het loopwiel aan te brengen welke nodig zijn om het thans zeer slechte rendement te verbeteren en te brengen op het niveau dat destijds werd verwacht. De stichting heeft in 1966 tot deze proefopstelling besloten op grond van bepaalde berekeningen en verwachtingen, doch thans blijkt dat geen gelegenheid kan worden gegeven om de proefnemingen op effectieve wijze voort te zetten.”

 

* uit 1966, de voorstellen tot een proefneming

 

.

De apparatuur blijft in de molen achter. In 1976 schrijft de Vereeniging de Hollandsche molen, werkgroep Windenergie: “Wij stellen het zeer op prijs dat u ons hebt toegestaan deze installaties -in afwachting van een nieuwe bestemming- ter plaatse te handhaven; in dit verband deel ik u mede dat wij ernstig overwegen de generator over te brengen naar de waterradmolen te Borculo, een belangrijke overweging in dit opzicht is de vraag of het vermogen van het waterrad aldaar voldoende is.”

 

Juni 1977 wordt de installatie op dwingend verzoek van Staatbosbeheer weggehaald. De apparatuur wordt geparkeerd bij de PLEM (Provinciale Limburgse Elektriciteits-Maatschappij) in Buggenum en is daar nooit meer opgehaald.

 

 

 

Leudal mikt op stroom watermolen

 

Dit kopte het dagblad de Limburger op 9 december 2009. De verslaggever meldt dat de gemeente zeker een van de vier watermolens in de gemeente geschikt wil maken voor het opwekken van groene stroom. Het onderzoek richt zich op de Friedesemolen in Neer, de Grathemermolen in Grathem, de Leumolen in Nunhem en de Uffelse molen in Haler. Ervaringen elders in het land wijzen uit dat een tot waterkrachtcentrale omgebouwde watermolen al gauw stroom voor een honderdtal huishoudens kan leveren weet de wethouder.

 

Honderd huishoudens vragen per jaar een 400.000 kWh waar de Leumolen destijds bij lange na de 20.000 niet haalde ..

 

Men is langs geweest om de molen te bekijken, verder is er nooit meer iets vernomen.

 

 


 

Vandaag de dag

 

Dankzij een grondige restauratie door Staatsbosbeheer in 1960/1961 is de Leumolen behouden gebleven en wordt sinds 1961 weer gebruikt als graanmolen voor demonstratiedoeleinden.

 

De inrichting als oliemolen was grotendeels intact gebleven en in 1961 gerestaureerd. Een groep vrijwilligers heeft aan het begin van de 21e eeuw de oliemolen weer in bedrijf gebracht, er wordt geregeld olie geslagen. De Leumolen is de enige oorspronkelijke oliemolen in Limburg* en een van de zes water-oliemolens van Nederland. Het is de enige watermolen waar de graanmolen en de oliemolen zich onder één dak bevinden.

 

Andere oliemolens in watermolens zijn:

 

                          de Oostendorper watermolen in Haaksbergen (Ov)

                          de Noordmolen in Delden (Ov)

                          de Eerbeekse oliemolen in Brummen (Gld)

                          de Collse watermolen in Eindhoven (NB) 

                          de Kilsdonse molen in Dinther (NB)

 

* oktober 2011 is een nieuw gebouwde oliemolen in een windmolen te Nederweert geopend

 

 

 

                      

 

 

 

 

 


 

 

 

 Site Leumolen